Twee jaar geleden ging elk gesprek over gegevensuitwisseling nog over standaarden. Welke, hoe ver, wanneer. In augustus 2026 ligt dat anders. Het Spaarne Gasthuis levert als eerste in Nederland pathologiegegevens via de HL7 FHIR-standaard aan de Nederlandse Kankerregistratie. Twee huisartsenpraktijken van Zorg voor Zuid en Amsterdam UMC stellen sinds juli spoedsamenvattingen beschikbaar aan de SEH. De standaarden werken. Het ligt niet meer aan de techniek.
Wat wél begint te schuren, zit ergens anders. Op 10 juli plaatste de KNMG kritische kanttekeningen bij het wetsvoorstel voor de Wet op het gezondheidsinformatiestelsel. De artsenfederatie vraagt om meer duidelijkheid over de onafhankelijkheid van de nieuwe Gezondheidsdata Autoriteit, om betrokkenheid van het beroepsveld bij het aanwijzen van gegevenscategorieën en om overleg over de overgang van expliciete toestemming naar een opt-outsysteem. Dat laatste raakt volgens de KNMG direct aan het medisch beroepsgeheim. De wet die databeschikbaarheid moet regelen loopt vast op vragen die niet over techniek gaan.
Dezelfde beweging is zichtbaar in de regio. Twintig zorg- en welzijnsorganisaties in IJssel Vecht richtten een regionale samenwerkingsorganisatie op om de veilige digitale uitwisseling van gegevens vorm te geven. Niet als een technisch project, maar als een governance-project. En Nictiz ontwikkelde de serious game Van data naar daadkracht om bestuurders en beleidsmakers een uur lang te laten ervaren wat zorgprofessionals dagelijks tegenkomen: informatie die moeilijk vindbaar is, systemen met aparte accounts, toestemmingen die niet eenduidig zijn vastgelegd.
Wat deze vijf ontwikkelingen gemeen hebben, is dat ze buiten de techniek liggen. Standaarden zijn een noodzakelijke voorwaarde, geen voldoende. Wie de komende jaren wil sturen op databeschikbaarheid kijkt naar juridische randvoorwaarden, bestuurlijke bewustwording en regionale samenwerking. Anders staat er straks een prachtige HL7 FHIR-koppeling die niemand mag gebruiken.